Squash Spelwijzer
Squash Spelwijzer

Dit is een beknopt overzicht van de squash regels. Het is niet een vervanging van de officiële regels, en dient derhalve te worden gebruikt als hulpstuk bij de WSF regels, geldig m.i.v. mei 2001.


Bron: http://squash.aemotion2.com/ Squash Spelwijzer

Het is de verantwoordelijkheid van elke speler om:
• De volledige regels te lezen en kennen.
• Te spelen volgens die regels.
• Sportief en eerlijk te spelen.
• Klaar te zijn om te spelen op het aangegeven tijdstip.
• Niet van de baan te lopen tijdens het spel zonder toestemming van de scheidsrechter.
• Het spel niet onnodig op te houden.
• Beleefd te vragen om een Let.
• Eigen foute slagen aan te geven. (bijv. 2 keer stuiteren, of in de Tin)
• Niet een bal te slaan die zijn of haar tegenstander in gevaar brengt.
• De scheidsrechter zonodig om een uitleg te vragen, maar geen ruzie te maken.
• De bal op te rapen tussen rallies.
• Zich niet boos te maken.
• Geen beledigende of discriminerende opmerkingen te maken.
• De tegenstander een hand te geven na afloop.
• De scheidsrechter (en marker) te bedanken.

Officials horen;
• WEL de regels goed te kennen.
• WEL de laatste wijzigingen bij te houden.
• WEL te overleggen met collega officials.
• WEL aankomend officials bij te staan
• WEL beleefd en netjes te praten
• WEL nette kleding te dragen
• WEL spelers in de ogen aan te kijken.
• WEL zelf voorbeeldig gedrag te tonen op de baan.
• NIET ruzie te maken met de spelers.
• NIET te lange uitleg te geven na een beslissing.
• NIET te technisch te worden met de uitleg.
• NIET te worden beïnvloed door anderen bij beslissingen maken.
• NIET weg te kijken tijdens het spel.
• NIET eigenwijs of sarcastisch te zijn.

Dit is een beknopt overzicht van de squash regels. Het is niet een vervanging van de officiële regels, en dient derhalve te worden gebruikt als hulpstuk bij de WSF regels, geldig m.i.v. mei 2001.


Bron: http://squash.aemotion2.com/ Squash Spelwijzer

Het is de verantwoordelijkheid van elke speler om:
• De volledige regels te lezen en kennen.
• Te spelen volgens die regels.
• Sportief en eerlijk te spelen.
• Klaar te zijn om te spelen op het aangegeven tijdstip.
• Niet van de baan te lopen tijdens het spel zonder toestemming van de scheidsrechter.
• Het spel niet onnodig op te houden.
• Beleefd te vragen om een Let.
• Eigen foute slagen aan te geven. (bijv. 2 keer stuiteren, of in de Tin)
• Niet een bal te slaan die zijn of haar tegenstander in gevaar brengt.
• De scheidsrechter zonodig om een uitleg te vragen, maar geen ruzie te maken.
• De bal op te rapen tussen rallies.
• Zich niet boos te maken.
• Geen beledigende of discriminerende opmerkingen te maken.
• De tegenstander een hand te geven na afloop.
• De scheidsrechter (en marker) te bedanken.

Officials horen;
• WEL de regels goed te kennen.
• WEL de laatste wijzigingen bij te houden.
• WEL te overleggen met collega officials.
• WEL aankomend officials bij te staan
• WEL beleefd en netjes te praten
• WEL nette kleding te dragen
• WEL spelers in de ogen aan te kijken.
• WEL zelf voorbeeldig gedrag te tonen op de baan.
• NIET ruzie te maken met de spelers.
• NIET te lange uitleg te geven na een beslissing.
• NIET te technisch te worden met de uitleg.
• NIET te worden beïnvloed door anderen bij beslissingen maken.
• NIET weg te kijken tijdens het spel.
• NIET eigenwijs of sarcastisch te zijn.

Pagina 2

Officials
In een ideale situatie wordt een wedstrijd geleid door een Scheidsrechter en een Marker. In de meeste gevallen zal een persoon beide functies vervullen, en heeft dus alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. De beste positie om te scheidsrechteren is in het midden van de baan, dicht achter de achtermuur, of op een verhoogde plaats, meestal op de toeschouwers plaatsen. Spelers mogen niet om een andere scheidsrechter of marker vragen. Alleen de hoofdscheidsrechter mag eventueel een andere official toewijzen.

De Marker
De Marker roept het spel en de stand en herhaalt de beslissingen van de Scheidsrechter. De calls van de Marker zijn dus: de Score (beginnend met de serveerder), Fault, Out, Not up, Down en Stop. Indien de Marker een call maakt, is het spel stilgelegd. De Marker moet dan zeker zijn voordat een call wordt gemaakt. Als een speler een beroep wil doen op de Scheidsrechter, moet deze wachten tot het einde van de rally. Onzekerheid over een call wordt door de scheidsrechter beslist en aangekondigd.

Aankondiging van de wedstrijd

De wedstrijd wordt aangekondigd door de marker en dient om:
- de toeschouwers te laten weten wie er speelt. (en voor welk team)
- zeker te zijn dat de juiste spelers tegen elkaar gaan spelen.
De gebruikelijke manier om de wedstrijd aan te kondigen en te starten is :
Berden serveert, Anjema ontvangt. Best of 5 games. Nul- nul. (or love-all) Het is niet verstandig om voornamen te gebruiken omdat enige afstand van de spelers het beslissingsproces makkelijker maakt.

Markers calls
Fault: Geeft aan dat er en opslag fout is. Foot Fault: Aangeeft date er een voet fout is begaan door de serveerder. Not Up: Geeft aan dat de bal niet conform de regels is gespeeld.
Dit kan zijn:
(1) de bal is niet met het racket in de hand geslagen.
(2) de bal werd 2 keer geslagen.
(3) de bal werd geschept op het racket.
(4) de bal stuiterde 2 keer.
(5) de bal werd aangeraakt door iets anders dan het racket. (kleding, bijv.)
(6) de serveerder doet een mislukte poging om de bal te slaan.

Down: De bal heeft de tin geraakt, of heeft de vloer geraakt voordat de voormuur werd gehaald.
Out: De bal heeft de uitlijn of de muur daarboven geraakt, of heeft het plafond geraakt.
Hand-out: Geeft aan dat de opslag naar de andere speler is gegaan. 4 - 3: Een voorbeeld van de stand. De score van de serveerder wordt altijd eerst genoemd.
Set 1: Indien de stand 8-8 wordt, geeft aan dat de ontvanger gekozen heeft om tot 9 te spelen. Wordt maar een keer per game aangekondigd.
Set 2: Indien de stand 8-8 wordt, geeft aan dat de ontvanger gekozen heeft om tot 10 te spelen. Wordt maar een keer per game aangekondigd
Game Ball: Geeft aan dat de serveerder nog 1 punt nodig heeft om de game te winnen. Wordt herhaald elke keer dat de situatie zich voordoet.
Match Ball: Geeft aan dat de serveerder nog 1 punt nodig heeft om de wedstrijd te winnen. Wordt herhaald elke keer dat dit de situatie is.
Yes Let: Een herhaling van de beslissing van de scheidsrechter date en rally opnieuw wordt gespeeld.
Stroke to??: Een herhaling van de beslissing van de scheidsrechter om een rally toe te kennen aan een speler.
No Let: Een herhaling van de beslissing van de scheidsrechter om niet in te gaan op een appel van een speler om een let.
Stop: Om het spel stil te zetten.

Pagina 3


De Scheidsrechter
• Bekijkt en beoordeelt elke rally, kijkt ook naar spelers tussen de games.
• Zorgt voor een eerlijk resultaat voor elke rally.
• Let op dat de marker de juiste stand omroept.
• Houdt zelf ook schriftelijk de stand bij.
• Geeft antwoord op appèls van spelers.
• Houdt alle tijden bij.
• Geeft zijn beslissingen door aan de spelers (niet aan de marker).
• Zorgt voor het juiste toepassen van de regels.
• Beslist strokes en lets.
• Bepaalt vervolg indien een speler wordt geraakt.
• Bepaalt categorie van blessures.
• Is verantwoordelijk voor vervolg bij te laat verschijnen. (niet bij toernooien,
hoofdscheidsrechter is dan verantwoordelijk).
• Is verantwoordelijk voor de baan en speelbaarheid daarvan.
• Moet beslissingen luid en duidelijk maken hoorbaar voor spelers en toeschouwers.
De beslissing van de scheidsrechter is definitief.
Referee’s calls
Stop: Om het spel stil te zetten.
Time: Om aan te geven date en bepaalde tijdspan gepasseerd is. Bijvoorbeeld het eind van het inslaan, de rust tijd tussen games of afloop van toegestane blessuretijd.
Half-Time: Om aan te geven dat de helft (2,5 minuten) van de toegestane 5 minuten inslaan is gepasseerd.
Yes Let: Kent een Let toe, indien gevraagd door een speler.
No Let: Staat de Let niet toe.
Stroke to: Geeft aan dat een stroke toegekend wordt aan een speler.
15 seconden: Om aan te geven dat er nog 15 seconden resteren van een
toegestaan pauze. (bijv. tussen games)
Conduct warnning/stroke/game/match: Om een overtreding en de bijbehorende straf aan te kondigen.
Definities m.b.t. de baan
Lijn: Alle (meestal rode) lijnen rondom de baan, die de grens van het spelgebied aangeven. Een bal die de lijn raakt is uit.
Tin: De laagste gedeelte van de voormuur. Een bal die de tin raakt is uit.
Short lijn: De lijn door het midden van de baan, op de vloer en over de gehele breedte. Een service moet achter deze lijn stuiteren.
Box: Het gebied begrensd door 2 lijnen, de zijmuur en een deel van de short lijn, waarbinnen de voet van de serveerder de grond moet raken bij het opslaan.
Half court lijn: De lijn door het midden van de baan, parallel tot de zijmuren en lopend vanaf de achtermuur tot de short lijn.
Out lijn: De lijn die langs de bovenkant van de voormuur, beide zijmuren en de achtermuur loopt, om de bovengrens van het spelgebied aan te geven.
Service lijn: De lijn tussen de tin en de out lijn op de voormuur. Een goede service moet de voormuur raken boven deze lijn.
Doorlopend spel
Het spel moet zo veel mogelijk continu doorlopen.

Tijd rekken
Een poging door een speler om voordeel te winnen. De scheidsrechter hoort in te grijpen en zonodig de Conduct regel toe te passen met bijbehorend straf.
• Voorbeelden van tijd rekken zijn o.a.:
o Vele malen het balletje stuiteren voor het serveren.
o Veel rond de baan lopen tussen punten.
o Expres de bal laten vallen of wegtrappen of uit de baan slaan.
o Vele malen stoppen om schoenen veters vast te maken.
o Vele malen evt. bril of bescherm visor schoon maken.
o Onnodig of veel met de scheidsrechter in discussie gaan.
Serveren
De serveerder moet wachten met serveren totdat de marker de score heeft omgeroepen.

De bal
De bal moet altijd op de baan blijven, tenzij de scheidsrechter anders beslist. Een bal schoonmaken tussen de games kan worden toegestaan (meestal in het geval van het spelen met een witte bal) Als het spel stil ligt, is het toegestaan voor een speler of de scheidsrechter om de bal te inspecteren.
De meest gebruikt ballen zijn:
Pro xx (dubbel gele punt) - voor wedstrijden en competitie. Competition XT (enkel gele punt) - iets meer stuiterend voor lager niveau wedstrijden. Max Progress (zwart en 6% groter) - voor recreatief spelers. Max Blue (blauwe en 12% groter) - voor beginners.

Pagina 4


Vervangende bal
Als het spel stil ligt mag de bal worden vervangen indien beide spelers het hiermee eens zijn en de scheidsrechter het ook toestaat. Indien de bal kapot gaat tijdens het spel moet hij worden vervangen. De scheidsrechter beslist
of de bal kapot is. Indien de bal kapot gaat tijdens het spel, maar dit wordt pas gemerkt na afloop van de rally, wordt een Let gespeeld voor die rally indien de ontvanger appelleert voor dat een poging wordt gedaan om de service terug te slaan. In dit geval heeft de scheidsrechter 2 mogelijkheden:
1: als het duidelijk is dat de bal kapot ging tijdens de service, wordt een Let gespeeld voor die slag alleen.
2: als de scheidsrechter niet zeker is wanneer de bal kapot ging, wordt een Let gespeeld voor de voorgaand rally. Het serveren met een duidelijk kapotte bal resulteert dus altijd in een Let. (ook al is de service fout) Appelleren over een kapotte bal na afloop van een game moet gebeuren voordat de spelers de baan hebben verlaten. Indien een speler een rally stopt omdat de bal kapot zou zijn, en de bal niet kapot is, verliest de speler die rally.

Bal warm slaan
De bal mag worden warm geslagen door een of beide spelers tijdens elke pauze in het spel. Indien het spel voor een lange tijd is stilgelegd, of indien een nieuwe bal in gebruik wordt genomen, staat de scheidsrechter het toe om de bal warm te slaan tot het normale wedstrijd temperatuur.

Tijden
Een periode van 5 minuten is toegestaan vooraf aan een wedstrijd om in te slaan en om de bal op wedstrijd temperatuur te brengen. De scheidsrechter roept half time na 2.5 minuten en time na 5 minuten. Binnen 90 seconden moet dan het spel beginnen. De scheidsrechter waarschuwt de spelers door 15 seconden te roepen. Ook tussen de games is een rust periode van 90 seconden toegestaan. De scheidsrechter geeft ook hier aan dat er 15 seconden resteren. Bij het verstrekken van de 90 seconden moeten beide spelers op de baan staan en klaar zijn om het spel te hervatten. Het niet klaarstaan kan woorden bestraft met de Code of Conduct regel. Het is aan de spelers om ervoor te zorgen dat ze binnen oorschot van de scheidsrechter zijn.

Uitrusting wisselen

Indien een speler de scheidsrechter ervan heeft overtuigt dat een wisseling van uitrusting, kleding of schoeisel nodig is, mag de speler de baan verlaten. Er wordt 90 seconden toegestaan om de defectieve uitrusting te vervangen. De tegenstander mag ook de baan verlaten in deze periode. De scheidsrechter moet er zeker van zijn dat een werkelijke verslechtering heeft plaatsgevonden in de te wisselen uitrusting gedurende de speeltijd. Indien de speler geen vervangend uitrusting heeft, moet de scheidsrechter de wedstrijd aan de tegenstander toekennen.

De telling
De regels voor Squash zijn geschreven voor het scoring systeem tot 9 punten per game. Punten kunnen allen worden gescoord door de serveerder. Indien de ontvanger een rally wint, gaat de service over. Indien de serveerder een rally wint, scoort hij een punt en behoud hij de service. Een wedstrijd is best of 3 of best of 5 games. De eerste speler die 9 punten heeft behaald wint de game, behalve als de stand 8-8 wordt. In die situatie beslist de ontvanger of er tot 9 of tot 10 wordt gespeeld. Die beslissing wordt een keer per game gemaakt, en is bindend voor die game. De marker roept Game Ball of Match Ball elke keer dat een speler nog 1 punt nodig heeft om de game c.q. wedstrijd te winnen. Zowel de marker als de scheidsrechter horen de score bij te houden en op te schrijven, om verwarring en discussies te voorkomen over de stand en wie serveerde van welke kant.

Point-a -rally scoring (PARS)
Dit systeem wordt momenteel gebruikt door PSA voor professionele heren evenementen, en wordt ook gebruikt in het SBN Heren Eredivisie 2005-06. De winnaar van een rally scoort een punt, ongeacht hij de serveerder of de ontvanger is. Indien de ontvanger een rally wint, scoort hij een punt en wordt hij ook de serveerder.
De games worden gespeeld tot 11 punten. De eerste speler tot 11 wint de game. Bij een stand van 10-10 wordt een tie-break gebruikt. De eerste speler die 2 punten voorsprong behaalt is de winnaar. De tie-break kan dus 2-0, 6-4, 14-12 of een andere eindstand kennen. De game score wordt genoteerd als 11-10 (6-4, of zo.) De marker roept steeds game ball en match ball zoals toepasselijk en zoals in de standaard telling systeem.

Inslaan
Het inslaan is een deel van de wedstrijd, en de scheidsrechter en marker horen aanwezig te zijn. De scheidsrechter roept half time na 2.5 minuten, time na 5 minuten, en ziet erop toe dat de spelers op sportieve wijze inslaan, met gelijke kansen om de bal te slaan. De Code of Conduct regel kan ook hier worden toegepast bij onsportief gedrag.

Pagina 5


Het serveren
Wie als eerste mag serveren wordt bepaald door het draaien van een racket (toss).
Een serve is goed wanneer:
- De serveerder geen voet fout begaat.
- De bal geslagen wordt voordat die de vloer raakt, de muur raakt, of iets dat de
serveerder draagt.
- De bal rechtstreeks de voormuur raakt, tussen de service lijn en de tin. (De lijnen zijn uit!!)
- Tenzij de ontvanger kiest om te volleren, de bal de vloer raakt in het tegenoverliggend vierde deel van de baan.
- De bal niet uit wordt geserveerd.

De zogenaamde corkscrew serve eist iets meer aandacht, omdat de scheidsrechter zeker ervan moet zijn dat de bal niet eerst de zijmuur raakt, noch de twee muren tegelijkertijd. In beide gevallen is de serve fout. Om te zien of de bal steeds boven de service lijn terecht komt, is het beter om naar de lijn te
kijken dan naar de vlucht van de bal.
De serveerder mag de eerste keer steeds kiezen vanaf welke kant hij begint met serveren. Dit hoeft vervolgens niet door de marker te worden geroepen bij de score. Terwijl een speler aan het serveren is, moet er van om de buurt van beide kanten worden geserveerd. Indien het lijkt alsof een speler vanaf de verkeerde kant gaat serveren, moet de marker dit aangeven.
Indien er, ongemerkt, toch van de foutieve kant wordt geserveerd, wordt bij de volgende serve (inden door de zelfde speler) toch van kant gewisseld. De marker moet de score omroepen zonder oponthoud, en de spelers moeten wachten totdat de marker klaar is met omroepen. Indien de spelers het spel hervatten voordat de marker klaar is, moet de scheidsrechter het spel stopzetten, en alsnog de score laten roepen. De serveerder mag de bal opgooien met de bedoeling om te serveren, en dan niet slaan. (bijv. een slechte opgooi) Dit telt niet als een poging.

Voet fout
Op het moment van slaan, moet een voet de vloer raken binnen het service vak (box). Die voet mag hierbij de lijnen niet raken. Een voet fout gebeurt vaak door het slepen van de voet tijdens de service beweging. Het opletten voor eventuele voet fouten mag niet de aandacht opeisen zodat andere fouten niet worden opgemerkt.

Calls bij de service
Voet fout: De serveerder begaat een voet fout.
Not up: De serveerder maakt en of meer pogingen, maar slaat de bal niet of niet op een correcte wijze. (bijv. scheppen). De bal raakt een muur, de vloer of iets wat de serveerde aan heeft voor dat hij slaat.
Uit: De bal wordt uit geserveerd.
Fault: De bal raakt de vloer eerst, de zijmuur eerst, of de zijmuur en voormuur
tegelijkertijd. De bal raakt de voormuur onder de service lijn. De bal raakt de
vloer buiten de tegenoverliggende vierde deel van de baan.
Een goede return
Om een goede return te maken:
• Mag de bal niet twee keer stuiteren.
• Mag de bal niet uit gaan. (anders dan bij tennis, bij squash zijn de lijnen uit)
• Moet de bal de voormuur raken zonder de tin te raken, de vloer te raken, of een van de spelers of hun kleding te raken.
• Moet de bal een keer worden geslagen terwijl de racket in de hand van de speler is.
• Mag de bal niet worden geschept.
• Mag de bal de zijmuur en/of de achtermuur raken voordat hij de voormuur raakt.
• Mag een speler de bal niet opvangen voordat hij twee keer heeft gestuiterd. Ook al is het onmogelijk voor de tegenstander om de bal te halen, wint hij in dit geval die rally.

Een poging is: het voorwaarts bewegen van de racket met de bedoeling om de bal te slaan.
Lets
Een let wordt toegestaan indien: (deze situaties kunnen nooit een stroke of een no let zijn)
- De ontvanger niet klaar staat om de service te ontvangen.
- De bal kapot gaat tijdens een rally.
- De scheidsrechter niet zeker is over een appèl.
- De bal uitgaat na te hebben gestuiterd.
- De bal vast komt te zitten in een deel van het spelgebied, waardoor het niet meer voor de tweede keer gaat stuiteren.
Een let mag worden toegestaan indien;
De bal iets raakt wat op de vloer ligt.
De speler die aan de beurt is om te slaan dat niet doet omdat hij redelijkerwijs bang is om zijn tegenstander te blesseren. Omstandigheden op de baan veranderen, en de uitkomst van de rally beïnvloeden. Een van de spelers afgeleid wordt door iets buiten de baan, en een anders goede slag werd onderbroken.

Pagina 6


Appeals
Indien de speler meer dan een appèl maakt betreffende een rally, moet de scheidsrechter elke appèl in acht nemen. Spelers moeten een appèl netjes bewoorden (bijv. "Appeal please", of “Let alsjeblieft”). De scheidsrechter mag vragen waarom een speler appelleert. De scheidsrechter moet niet de rally stop zetten omdat een speler wijst naar de bal nadat hij misschien (bijv.) uit is gegaan. Wijzen is niet een erkende manier om te appelleren.
Na dat er geserveerd is, mag niet meer worden geappelleerd over iets wat er voor de service is gebeurd, behalve bij een kapotte bal.

Scheidsrechter interventie
In het algemeen zal een scheidsrechter alleen optreden indien er potentieel gevaar ontstaat voor een of beide spelers, of in bijzondere omstandigheden.
De scheidsrechter mag het spel onderbreken en:
- Een let toestaan indien een situatie is ontstaan waarbij een blessure kan ontstaan.
- Een stroke toekennen indien er sprake is van een duidelijke belemmering, en de speler geen of weinig moeite heeft gedaan om de belemmering te vermijden en de tegenstander weerhouden wordt van het maken van een goede slag.
De scheidsrechter legt het spel stil door "Stop" te roepen zo snel en duidelijk mogelijk. De scheidsrechter mag nooit een rally stoppen indien hij onzeker is. Dan moet hij het einde van de rally afwachten en afwachten of er een appèl volgt. Als een appèl volgt, moet de scheidsrechter een let toestaan omdat hij niet zeker is. Indien een speler geraakt wordt door de bal, maakt de scheidsrechter een beslissing over de uitkomst van de rally, zonder te wachten op een appèl.

Appeals op de service
Als de scheidsrechter zeker is dat een service niet goed is, moet hij onmiddellijk het spel stil zetten en de rally aan de ontvanger toekennen. Als de marker een fout roept bij de service (out, voet fout, down of zo), mag de serveerder
appelleren. Als de appèl grondig wordt bevonden door de scheidsrechter, wordt een let toegestaan. Als de appèl niet grondig wordt bevonden, blijft de fout zoals door de marker geroepen, bestaan. Als de marker niets roept, mag de ontvanger appelleren, na afloop van de rally. Dit houdt in dat een ontvanger, na afloop van de rally appelleert dat de service niet goed was, heeft de scheidsrechter 2 opties:
1: hij kan de service als ‘goed’ verklaren, en de uitkomst van de rally laten staan, of
2. hij kan een let toestaan als hij niet zeker is. Appeals tijdens het spel en niet op de service Als de marker ‘uit’, ‘not up’, ‘down’ etc. roept tijdens een rally, mag de speler appelleren. Als de appèl niet grondig wordt bevonden, blijft de uitslag van de rally staan. Als de appèl wel grondig wordt bevonden, wordt een let toegestaan, behalve:
Indien de call van de marker de speler heeft weerhouden van het slaan van een duidelijk winnende bal. Dan wint de speler de rally. Als de marker niets roept, moet een speler wachten tot het einde van de rally en dan appelleren.
Indien de scheidsrechter dan beslist dat de appèl niet is gegrond, blijft de uitslag van de rally staan. Indien de scheidsrechter dan beslist dat de appèl wel is gegrond (de bal was uit, not up) wordt de rally aan de tegenstander toegekend. Indien de scheidsrechter niet zeker is wordt een let toegestaan. Belemmering (Regel 12)
Deze regel veroorzaakt de meeste problemen. De scheidsrechter is er om voor een eerlijk uitslag van de wedstrijd te zorgen. Begrip van deze regel is daarom erg belangrijk. Belemmering betreft de vrijheid en ruimte die een speler nodig heeft om de bal te slaan. Om belemmering te voorkomen, moet de tegenstander alles doen om de speler:
- Een vrije en directe lijn naar de bal toe te laten, nadat hijzelf een redelijke uitzwaai heeft gemaakt. De speler moet wel de nodige inzet plegen om de bal te halen.
- Een vrij en eerlijk zicht op de bal te geven, nadat deze de voormuur heeft geraakt.
- De vrijheid en ruimte te geven om de bal te slaan met een redelijke zwaai - bestaand uit een achterzwaai, slaan en doorzwaai.
- De vrijheid geven om de bal op elk deel van de voormuur te kunnen spelen.
Belemmering wordt veroorzaakt als de tegenstander aan één van de bovenstaande eisen niet voldoet. Een appèl op belemmering mag alleen worden gemaakt door de speler die aan de beurt is om te slaan. Als een speler belemmering ondervindt kan hij:
• Doorspelen.
• Stoppen en appelleren bij de scheidsrechter. De appèl moet meteen worden gemaakt, op een duidelijke wijze en zonder door te spelen na het moment ven belemmering. De juist manier van appelleren is "let please". Dit ongeacht of de speler van mening is dat hij een stroke verdient.
Minimale belemmering
Indien de belemmering zo gering was dat de speler steeds wel vrij zicht en toegang tot de bal had, moet de scheidsrechter geen let toestaan. Minimale belemmering is het geval waar (bijv.) de speler onderweg naar de bal, lichtjes zijn tegenstander aanraakt, zonder daar direct last van te hebben ondervonden in zijn swing.
Toegang tot de bal
Een speler heeft recht op een vrije en directe lijn naar de bal. Nadat de tegenstander de bal heeft geslagen, moet hij een uitweg zien te vinden om de toegang vrij te laten voor de speler. Het terug keren naar de T is niet perse de manier om de vrije baan te laten voor de speler. De scheidsrechter moet in acht nemen:
- De uitgaande tegenstander en de lijn gekozen als uitweg.
- De positie van de tegenstander op het moment dat de speler de bal wilden slaan.
- Of de inkomende speler de bal had kunnen halen en had kunnen slaan, hierbij rekening houdend met zowel snelheid als looprichting.

Pagina 7


De verkeerde kant uit lopen
Soms wordt een speler op het verkeerde been gezet, gaat één kant uit en ziet dat de bal de andere kant uit gaat. Hij herstelt, verandert van richting en komt dan zijn tegenstander tegen in zijn lijn naar de bal. In deze situatie moet de scheidsrechter een let toestaan indien de speler op tijd herstelde om een goede slag alsnog te kunnen maken. Indien de speler weerhouden werd van het maken van een winnende slag, kan de scheidsrechter zelfs een stroke toekennen aan de speler.

Zelf veroorzaakte belemmering
Soms komt het voor dat de tegenstander niet de belemmering heeft veroorzaakt. Hij heeft alles gedaan om de vrije baan te geven, maar de speler heeft, zonder reden, een omweg genomen naar de bal, en daardoor zijn tegenstander vindt. Er was anders geen sprake geweest van belemmering en de speler heeft zelf daarvoor gezorgd door zijn route naar de bal. In dit geval wordt door de scheidsrechter geen let toegestaan. (no let).

Vrij zicht
Het belemmeren van de vrij zicht (fair view) van de bal gebeurt meestal als een speler de bal dicht langs zijn eigen lichaam speelt. Dit is een moeilijke regel om toe te passen - de scheidsrechter moet ook bedenken of de bal haalbaar was, en of het niet kunnen zien van de bal werkelijk een belemmering was. De bedoeling is dat een speler zijn lichaam niet mag gebruiken om de richting en vlucht van de bal te verbergen, na dat deze de voormuur heeft geraakt. Indien een speler de zicht op de bal verliest door zijn eigen slechte positie, of de bal niet kon halen, wordt geen let toegestaan.

Door de vlucht lopen
Indien een speler door de lijn loopt dat de bal neemt onderweg terug van de voormuur, zal dit meestal een stroke zijn. Maar niet altijd. Het gaat erom wanner er gestopt wordt en waar beide spelers stonden op dat moment. Als de inkomende speler belemmerd wordt in zijn slag en de bal kon spelen zoals hij stond, krijgt hij een stroke. Indien de bal ver weg was, (bijv. heel hoog) op het moment van appèl, staat de scheidsrechter geen let toe.

Vrijheid om de bal te slaan
Dit betekent dat de speler gelegenheid krijgt om een redelijke achterzwaai, een slag en een redelijke uitzwaai te maken.

Redelijke zwaai
Indien de zwaai van een speler belemmerd wordt door de positie van zijn tegenstander, ook al heeft de tegenstander alles mogelijk gedaan om uit de weg te gaan, moet de scheidsrechter de stroke toekennen aan de speler. Hierbij mag de speler ook zijn slag uitstellen - hij kiest zelf wanner hij wil slaan, en de tegenstander moet alsnog de vrijheid en ruimte geven om de slag te maken. Als de speler stopt doordat hij niet de vrijheid en ruimte heeft gekregen, moet de scheidsrechter het volgende in acht nemen:
1. Als de tegenstander te dichtbij staat, en de speler stopt omdat hij de tegenstander heeft geraakt of zou raken in zijn zwaai, moet de scheidsrechter een stroke toekennen aan de speler.
2. Als de speler stopt omdat er minimaal contact geweest is, en de tegenstander alles deed om ruimte te geven, moet de scheidsrechter een let toekennen.
3. Als de speler stopt omdat er gering contact is geweest, en de speler makkelijk door had kunnen spelen zonder last te hebben in het maken van zijn zwaai, moet de scheidsrechter geen let toestaan.
4. Als een speler stopt omdat de tegenstander erg dichtbij staat, maar niet het maken van de zwaai belemmerd, moet de scheidsrechter een let toekennen, omdat er gegrond reden was om te stoppen uit vrees van een blessure.

Overdreven zwaai
Als een speler een overdreven en gevaarlijke zwaai maakt, moet de scheidsrechter, bij belemmering, de straf maatregelen toepassen. De scheidsrechter bepaalt, zonodig, of er sprake is van een overdreven zwaai. Die beslissing is bindend. Een overdreven achterzwaai is waar de racket arm volledig gestrekt is, met het racket ook volledig uitgestrekt. Een overdreven uitzwaai is ook waar de racket arm uitgestrekt is, en vooral waar deze positie vast wordt gehouden voor langer dan nodig is om de slag af te maken. De overdreven zwaai kan dus belemmering veroorzaken bij de inkomend speler.

Te dicht op de speler staan
Indien een tegenstander te dicht bij de speler staat, en hem onvoldoende ruimte geeft om te slaan, heeft hij geen recht om te appelleren. Als hierdoor een blessure ontstaat bij de tegenstander, moet de scheidsrechter die blessure als zelfveroorzaakte beschouwen.

Pagina 8


Wanneer appeleren?
In het geval van belemmering bij de achterzwaai, moet het appel onmiddellijk zijn. Een poging om alsnog de bal te slaan geeft aan dat de speler door de belemmering heen is, en dus geen recht heeft om een let.

Er is een denkpatroon voor de scheidsrechter bij een beslissing betreffend belemmering.
Was er sprake van belemmering? Nee No let
Ja
Was de belemmering minimaal? Ja No let
Nee
Had de speler de bal kunnen halen, en deed hij daar alle moeite voor? Nee No Let
Ja
Heeft de speler door de belemmering heen gespeeld? Ja No let
Nee
Heeft de speler zelf de belemmering veroorzaakt? Ja No let
Nee
Heeft de tegenstander alles gedaan om uit de weg te zijn? Nee Stroke to speler.
Ja
Had de speler een winnende bal kunnen slaan? Ja Stroke to speler.
Nee
Had de speler een goede return kunnen maken, maar geen winnende bal? Ja Let
Had de speler de tegenstander geraakt met de bal terwijl deze onderweg was rechtstreeks naar de voormuur? Ja Stroke to speler.

Had de speler de tegenstander geraakt met de bal terwijl deze via de zijmuur (of achtermuur) na de voormuur ging? Ja Let
Was de gespeelde bal via de zijmuur, een winnende bal geweest? Ja Stroke to speler.
Inhouden van de slag
Indien een speler de bal niet slaat terwijl de bal, indien geslagen, duidelijk de tegenstander had geraakt onderweg rechtstreeks naar de voormuur, wordt een stroke toegekend aan de speler. Indien een speler de bal niet slaat terwijl de bal, indien geslagen de tegenstander had geraakt via de zijmuur (speler of muur eerst), wordt een let toegestaan, tenzij de slag een winnende bal was geweest. in het geval van de winnende bal, wordt een stroke toegekend aan de speler.
Een stroke kan niet worden gegeven indien er sprake is van turning - d.w.z. dat de bal om de speler heen is gegaan, waardoor een voorhand slag veranderd in een backhand slag (of andersom). Een stroke kan ook niet worden gegeven indien er sprake is van een tweede poging - d.w.z. dat de speler bij de eerste poging de bal mist, en bij de tweede poging belemmering ondervindt van de tegenstander.

Fysiek contact
Spelers moeten weten dat squash een non-contact sport is, en dat bij hun pogingen om de bal te halen en slaan, zij niet onnodig contact met de tegenstander moeten maken. Als een speler onnodig of opzettelijke contact maakt, de scheidsrechter mag het spel stopzetten en een passende straf maatregel toepassen. Het is belangrijk dat spelers begrijpen dat het (bijv.) in de rug lopen van de tegenstander, bestraft wordt. De scheidsrechter moet ook opletten bij een speler die zich afzet tegen de tegenstander. Vaak
heeft dit geen effect op de rally, maar een waarschuwing kan relevant zijn.

Turning
Er is sprake van turning wanneer;
- De speler omdraaide, en veranderde dus van voorhand naar backhand (of andersom).
- De bal is om de speler heen gegaan, zonder dat hij feitelijk omdraaide, daardoor de wisseling van slag veroorzakend. Turning gebeurt vaak, maar niet alleen, tijdens de service return. Het is niet noodzakelijk dat de bal de zijmuur of achtermuur heeft geraakt bij turning. Indien een speler stopt na turning en de bal niet slaat, is dit niet per se een let. De scheidsrechter moet overtuigd zijn dat:
1. De speler de bal had kunnen slaan.
2. Er een redelijke kans was dat hij de tegenstander zou raken.
3. De turning situatie niet is veroorzaakt of opgezocht om het spel te stoppen.
Indien de speler, na turning, alsnog de bal slaat rechtstreeks richting de voormuur en daarbij zijn tegenstander raakt, verliest de speler de rally. Het is altijd mogelijk om, na turning, een winnende bal te slaan. De tegenstander heeft geen recht op appèl omdat turning heeft plaatsgevonden.

Meerdere pogingen om te slaan
Als een speler een poging doet om de bal te slaan en mist, mag hij meerdere pogingen maken. Een tweede (of derde) poging bevat ook de slag na dat een speler expres de bal mist om zijn tegenstander in verwarring te brengen (schijnbeweging). Als de bal de tegenstander raakt op weg naar de voormuur na een tweede poging, wordt een let toegestaan. (behalve bij turning, zie hierboven) Indien een speler een poging doet en mist, en de bal dan de tegenstander raakt wordt een let toegestaan, mits de speler had kunnen herstellen en de bal alsnog had kunnen halen. Als de speler, na de eerste poging de bal niet had kunnen halen, verliest hij de rally.

Afleiding
De scheidsrechter moet er eerst zeker van zijn dat de afleiding expres en niet toevallig is (bijv. hoesten of niezen). Als een speler met zijn arm zwaait tijdens zijn slag om aan te geven dat hij denkt dat de vorige bal uit is gegaan, heeft de tegenstander geen recht op een let. Als de tegenstander omvalt mag de speler doorspelen en dus de afleiding accepteren. Hij mag ook stoppen en een let vragen, waarna de scheidsrechter een let toekent indien de speler een gewone return had kunnen spelen, of een stroke indien een winnende bal zouden volgen. Indien een speler expres afleidend gedrag toont (klappen, voeten stampen etc.) zal de scheidsrechter een stroke toekennen aan de tegenstander. Indien de afleiding van buiten de baan komt (applaus, fotoflits etc.) zal de scheidsrechter een let toestaan mits een van de spelers duidelijk is afgeleid. De scheidsrechter zal een stroke aan en speler toekennen indien deze een winnende bal speelde, onlangs de afleiding.

Voorwerp op de baan
Als iets behalve een racket van een van de spelers op de vloer valt, moet de scheidsrechter onmiddellijk het spel stopzetten. Beide spelers mogen stoppen en om een let vragen, en die moet worden toegestaan. Een speler heeft geen recht op een let na afloop van de rally. De spelers zijn verantwoordelijk voor het beheer van hun eigen apparatuur en toebehoren. Indien iets van een van de spelers op de baan valt, verliest die speler de rally, tenzij het vallen een gevolg is van een botsing tussen de spelers. Dan wordt een let toegestaan. Indien de speler een winnende bal heeft geslagen wordt er geen let toegestaan. Indien een voorwerp van buiten de baan op de baan terechtkomt, wordt er een let toegestaan. (bijv. bal van andere baan, of de marker's pen)
Indien een speler zijn racket verliest, mag hij doorspelen zolang er geen belemmering of afleiding plaatsvindt. In dat geval wint de tegenstander de rally. Ook als de bal het racket raakt van de speler terwijl hij het racket niet vast heeft, wint de tegenstander de rally. Een speler die opzettelijk het racket gooit (of iets anders) hoort te worden gestraft conform de straf maatregelen.

Pagina 9


Ziekte
Er wordt geen herstelperiode toegekend in het geval van: Misselijkheid, kramp of ademtekort, noch voor een van tevoren bekende klacht zoals astma. Een speler mag altijd een game opgeven, de 90 seconden rust nemen en dan doorspelen. Dit mag maar één keer, bij de tweede keer moet hij de wedstrijd opgeven. Indien een speler overgeeft op de baan, wint de tegenstander de wedstrijd, ongeacht of de speler herstelt en door kan spelen.

Blessures
• De juiste methodiek om met een blessure situatie om te gaan is afhankelijk van hoe de blessure is ontstaan.
• Ten eerste moet de scheidsrechter beslissen of de blessure echt is. Is dit niet het geval, dan moet de scheidsrechter eisen dat de speler meteen doorspeelt, of een game als verloren opgeeft, de standaard rust neemt en dan verder speelt, of de wedstrijd opgeeft.

• Wanneer een speler een game of de wedstrijd opgeeft, behoudt hij de punten die gemaakt zijn tot dan toe in de wedstrijd.
• Als zich een blessure voordoet, is het belangrijk om duidelijk te noteren wie aan het serveren was, en vanaf welke kant.
• Een besluit om het spel te hervatten moet worden gemaakt door de speler, niet de scheidsrechter.
De scheidsrechter is dus verantwoordelijk voor:
• Het vaststellen van de echtheid van de blessure.
• Het bepalen van de aarde van de blessure (eigen schuld, bijgedragen door tegenstander of veroorzaakt door tegenstander)
• Het inlichten van de spelers over zijn besluit met betrekking tot de aard van de
blessure en de daarvoor geldende regels.
• Het navragen van de intentie van de geblesseerde speler. (stoppen, doorspelen, evt. herstel periode gebruiken)
• Het bepalen en bijhouden van de toegestaan herstel periode.
Er zijn 3 vormen van blessure:
1. Zelf veroorzaakt.
2. Mede veroorzaakt door tegenstander (per ongeluk)
3. Door de tegenstander veroorzaakt.
Voordat de scheidsrechter een beslissing en gevolgen kan geven omtrent een blessure, moet hij eerst beslissen in welke categorie de blessure valt. Dit moet hij dan ook aan de spelers melden.
1. Zelf veroorzaakt:
Dit is een duidelijke blessure waarbij de tegenstander gaan blaam treft. Bijvoorbeeld: spier of gewricht aandoening, geraakt met de racket door te dichtbij staan, geraakt in het gezicht of het hoofd, tegen de muren botsen.
Beslissing: De speler mag gebruik maken van 3 minuten herstel periode, indien hij niet klaar is, mag hij dan een game opgeven en de 90 seconden rust tijd gebruiken en dan doorspelen, of de wedstrijd o

2. Mede veroorzaakt (per ongeluk):
Dit is een blessure die per ongeluk is ontstaan uit een situatie waarbij beide spelers zijn betrokken, bijv. een botsing bij het in/uitlopen naar de bal.
Beslissing: De scheidsrechter staat 1 uur toe om te herstellen, of meer als dat in de tijdschema van het toernooi of competitie past. Het spelen van competitie wedstrijden op een avond, houdt in dat alle wedstrijden op die avond af moeten zijn; het spelen van een toernooi over meerdere dagen houdt wellicht in dat tot de volgende dag kan worden gewacht met het voortzetten van de partij. De geblesseerde speler moet de wedstrijd hervatten na de toegestaan herstel periode, of de wedstrijd opgeven.
3. Door de tegenstander veroorzaakt:
Dit is een blessure die enkel en alleen door de tegenstander wordt veroorzaakt, bijv: Overdreven zwaai met de racket, opvallend en opzettelijk fysieke contact, racket verlaat de hand van de tegenstander en raakt de speler.
Beslissing: de scheidsrechter moet in alle gevallen de tegenstander een straf opleggen, maar, als de speler niet door kan spelen, wint hij de wedstrijd. Indien de geraakte speler bloedt, wordt meteen de wedstrijd aan hem toegekend, omdat hij anders een herstel periode moet aanvragen. Alle punten en games al gehaald worden gehouden door een gestrafte speler.

Bloeding

Indien een speler gaat bloeden, moet hij onmiddellijk de baan verlaten. Er mag nooit worden gespeeld met zichtbare bloeding, een niet gedekte open wond, of bebloede kleding. Scheidsrechters verantwoordelijkheden/beslissingen:
- De scheidsrechter beslist hoeveel tijd redelijk is om te herstellen van de bloeding en om kleding te wisselen e.d.
- Een speler die niet binnen de gestelde tijd klaar is om het spel te hervatten, mag een game opgeven en de 90 seconden rust gebruiken. Hij moet dan het spel hervatten, of de wedstrijd opgeven.
- Indien de scheidsrechter besloten heeft dat de bloeding voortkomt uit een blessure die door de tegenstander is veroorzaakt, moet de scheidsrechter de wedstrijd aan de speler toekennen.
- In het geval van (bijv.) een bloedneus, niet door een botsing ontstaan, moet de speler de baan verlaten. De scheidsrechter staat een redelijke herstelperiode toe.
- Indien er bloedvlekken op de baan ontstaan, moet de scheidsrechter de regels toepassen over het onbruikbaar maken van de baan.

Pagina 10


2e keer bloed.
Indien een speler al tijd heeft gekregen om een wond af te dichten, en de bloeding te stoppen, wordt er geen hersteltijd meer toegestaan. Bij een 2e keer bloeding uit een wond, moet de speler de game opgeven, de 90 seconden rust tijd gebruiken en dan het spel hervatten, of de wedstrijd opgeven. Als de geplaatste verband of pleister weer eraf valt tijdens het spel, moet de scheidsrechter dit zien als een 2e keer bloeden, tenzij de wond duidelijk schoon en droog is. Blessure voorbeeldsituaties en beslissing:

1. Speler met astma wil stoppen om zijn ademhalingsapparaat te gebruiken: Dit mag niet. Wel mag hij een game opgeven en de 90 seconden gebruiken.
2. Speler denkt dat hij gaat overgeven: Hij moet doorspelen, of de game opgeven en de 90 seconden gebruiken.
3. Speler geeft over op de baan: Indien de baan onbruikbaar is, verliest hij de wedstrijd. Anders moet hij doorspelen, of de game opgeven en de 90 seconden gebruiken.
4. Speler stopt plotseling, grijpt naar kuit en beweert een blessure. Er is geen bloed: Hij mag 3 minuten herstelperiode gebruiken (indiende scheidsrechter meent dat de situatie echt is), daarna doorspelen of de game opgeven en de 90 seconden gebruiken.
5. Speler struikelt over eigen veter, slaat hoofd tegen de muur. Er is geen bloed: Hij mag 3 minuten herstel periode gebruiken, daarna doorspelen of de wedstrijd
opgeven.
6. Speler krijgt spontaan een bloedneus (dus niet door een botsing): Scheidsrechter staat een redelijke herstelperiode toe, binnen het evenement schema.
7. Speler struikelt over eigen veter, slaat zijn hoofd tegen de muur. Er ontstaat bloeding: Scheidsrechter staat een redelijke herstelperiode toe, binnen het evenement schema.
8. Per ongeluk botsen de spelers op elkaar, daarbij raakt er een geblesseerd: Scheidsrechter staat 1 uur herstelperiode toe, en meer tijd als de wedstrijd schema dat toe staat.

9. Een speler verliest de grip op zijn racket, en raakt daarmee de tegenstander: Indien de geraakte speler een periode van herstel nodig heeft, wint hij de wedstrijd.
10. Na een blessure door eigen schuld, gaat een speler opnieuw de baan op. Dan gaat de wond weer bloeden: Hij moet onmiddellijk stoppen en de game opgeven en de 90 seconden gebruiken, of de wedstrijd opgeven.
11. Na een blessure die mede veroorzaakt is door de tegenstander, gaat de speler de baan weer op. Dan gaat de wond weer bloeden: Hij moet onmiddellijk stoppen en de game opgeven en de 90 seconden gebruiken, of de wedstrijd opgeven.

Omstandigheden op de baan
De scheidsrechter is verantwoordelijk voor de staat van de baan voordat het spel begint. De baan moet in goede staat zijn, gereed zijn voor het spel, en er mag niets op de vloer van de baan liggen. Spelers willen soms hun horloge, trouwring of portemonnee op de vloer leggen (voor bij de tin) tijdens de wedstrijd. Dit mag niet. Het kan voorkomen dat de omstandigheden op de baan veranderen tijdens het spel (bijv. lekkend dak). In dit geval wordt het spel op een andere baan voortgezet, met behoud van de stand bij het stoppen. Het veranderen (uitvallen) van het licht is zo'n geval. In zulke omstandigheden wordt een let gespeeld voor de rally waarin de verandering plaatsvond. Er kan geen let worden gevraagd indien een bal een scharnier, barst of deur handvat raakt. Bij het begin van de wedstrijd hebben de spelers die baanomstandigheden aanvaard. Zweetdruppels zijn geen verandering in de omstandigheden. Er wordt geen let toegestaan indien de bal een zweet plek raakt. Indien een speler valt, en de baan nat wordt, mag de plek worden schoongemaakt op verzoek van een speler. Gedrag op de baan. Regel 17
Indien de scheidsrechter vindt dat een speler zich misdraagt op de baan, moet dit worden bestraft.
De overtredingen kunnen zijn:
• Hoorbaar of zichtbaar gebaren.
• Verbaal of fysiek geweld.
• Opmerkingen over de wedstrijdleiding
• Racket en/of bal misbuik
• Coaching (behalve tussen games)
• Opzettelijk fysieke contact
• Overdreven racket zwaai
• Oneerlijk inslaan.
• Te laat op de baan
• Gevaarlijk spel
• Tijd rekken/verspillen
De scheidsrechter mag een straf opleggen afhankelijk van en passend bij de zwaarte van de overtreding. De eerste straf mag gelijk een zware zijn (bijv. een game), maar een 2e straf voor een herhaalde overtreding moet altijd nog zwaarder zijn dan de eerste straf. Indien een scheidsrechter een straf moet opleggen, is het gebruikelijk om deze verwoording te gebruiken:
Conduct warning (naam)......
Conduct stroke tegen (naam)....
Conduct game tegen (naam)....
Conduct match tegen (naam)...

Hierbij hoort een simpele uitleg over waarvoor de straf wordt opgelegd.
...te laat terug op de baan.
...misbruik van racket.
...onnodig fysieke contact.
De marker hoeft dan niet alles wat de scheidsrechter heeft gezegd, te herhalen. Het omroepen van de beslissing en de score is voldoende. Straffen in het spelverloop. Als de scheidsrechter een conduct stroke toekent, wordt de ontvanger de serveerder, of wint de serveerder een punt. Als de scheidsrechter een conduct stroke toekent tussen de rallies, blijft de voorgaande rally staan, en de stroke wordt bij de score opgeteld. Indien de serveerder een conduct stroke ontvangt, wordt er een punt bijgeteld, maar niet van kant gewisseld. Indien de scheidsrechter een conduct stroke toekent, moet hij wel verklaren voor welke redendit wordt gedaan, zodat er geen verwarring kan ontstaan bij een eventuele vervolg overtreding. Indien een scheidsrechter een conduct game moet toekennen, behoudt de tegenstander alle gewonnen punten. (het wordt bijv. 9-4 genoteerd)
Indien een conduct game wordt toegekend tussen games, is er geen extra rust periode, en de game wordt als 9-0 genoteerd. Indien een scheidsrechter een conduct match moet toekennen, behoud de tegenstander alle
gewonnen games en punten. Alle niet gespeelde games zijn 9-0.

Coaching

Spelers mogen alleen worden gecoached tussen de games. Woorden of kreten van aanmoediging vallen niet onder coachen. Het gebruik van communicatie hulpstukken tijdens de wedstrijd is verboden. Coachen tijdens de game wordt bestraft door een straf op te leggen aan de speler die gecoached wordt.